Discipelschap en Discipelwerving

Leidsche Kerkbode. Orgaan voor de Gereformeerde Kerken van de Classis Leiden

5e jaargang, onder redactie van W. Bouwman e.a.
Leiden (Nieuwe Leidsche Courant) 1926v
nummer 24 (geen paginering) (15 oktober 1926)

a



Onder de menschen is discipelschap niet bedoeld als vertrouwenspost. Dat is meer het leeraar-zijn.

En wederom: onder de menschen is discipelwerving altijd een proefneming.

Maar bij den Christus is het zoo niet.

Discipelschap is in Zijn school altijd een vertrouwenspost; en discipelwerving wordt van Zijn zijde nimmer een proefneming.

Zeer eigenaardig teekent de evangelist Johannes in één onmiddellijk tekstverband zoowel het een als het ander aan. Jezus, zoo zegt hij, vertrouwde zich niet toe aan de eerste, tot hem vol enthousiasme komende, bewonderaars. Hij vertrouwde zich niet toe: hij had in hen geen vertrouwen (2 : 24).

Maar als ge meenen mocht, dat uit dit woord blijkt, dat Jezus tastend en zoekend door het leven gaan moet, voorzichtig en angstig zijn kansen wegend, ook als leeraar en profeet, dan hebt ge Johannes misverstaan. Want dadelijk laat hij na deze mededeeling die andere volgen: dat Jezus de menschen volkomen kent; dat niemand hem omtrent de bewonderaars, die hem huldigen, behoeft in te lichten: Hijzelf weet, wat in den mensch is (2 : 25).

En deze tweevoudige mededeeling verdient wel even de aandacht, juist omdat ze schijnt tegenstrijdig te zijn, althans niet harmonisch.

*

Wat is dat eerste: dat Jezus zich niet den mensch toevertrouwt? Het lijkt ons vreemd; en soms profaan. Velen denken: Jezus moet zich niet aan de menschen, maar de menschen moeten zich aan Jezus toevertrouwen; de medaille van het vertrouwen tusschen Jezus en ons heeft geen keerzijde. Trouwens: wat kunnen menschen Jezus doen? Hij kan ze toch als kaf verstrooien? Het lijkt ons haast een ketterij. Toch heeft Johannes het zóó gezegd. Jezus kon leerlingen krijgen, bij getallen tegelijk: maar Hij waagde het niet met hen. En ineens flitst het door ons heen: discipelschap is een vertrouwenspost. Dat ligt in de lijn van Christus’ vernedering en liefde.

Van Zijn vernedering. Welke werker wil niet eens rusten? Welke bouwheer, die met scheppend welbehagen zijn bouwwerk zag in den geest, eer hij het optrok, steen voor steen, wil niet onder het bouwen graag eens wegzinken in zijn eigen werk, en daarvan de schoonheid indrinken, niet critisch, maar genietend, werkeloos? Och, elke bouwer wil in den optrek van zijn werkzamen geest wel eens intrek nemen met zijn rustende ziel. Ook Christus is zoo’n bouwheer; Gods tempel zal Hij optrekken. En zie, nu worden de steenen Hem aangedragen; een schare van eerlijke bewonderaars wil achter Hem de School der Leerlingen des Nazareners stichten. En over Jezus, die waarachtig mensch is, komt óók de echt menschelijke lust, om wat te rusten en behaaglijk te genieten van wat reeds bereikt is. Maar Hij mag dat niet. Nooit mag Hij ophouden de bijmengselen van hout, hooi, stoppelen te schiften uit goud, zilver, kostelijke steenen b. Geeft Jezus zich aan zijn bewonderaars over, laat Hij hen beslissen, wie zijn school zullen ingaan, dan beschadigt Hij zijn zaak en tegelijk zichzelf. Want Hij is wel Bouwheer, maar ook bouw-knecht. En de Knecht des Heeren zou zich door nalatigheid en critiekloos genieten vóór de oplevering van het werk bezondigen. Eerst als de bouw volbracht is, mag Hij strijdloos ervan genieten. De rust van den architect, die de vreugde van zijn werk genieten wil, wordt op-gehouden door het zweet van den knecht, dien God zich wierf.

Dus blijkt discipelschap vertrouwenspost. En zoo bloeit hier de liefde op. Als Jezus ons zijn zaak vertrouwt, dan vertrouwt Hij ons zichzelf. Iedere leerling is in zijn school ook mede-arbeider. Een teer weefsel van vertrouwen voegt zich tusschen Hem en ons. Aan zijn beproefde discipelen kán Christus zich vertrouwen, omdat Hij zich aan God vertrouwt. Want het is God, die hen bereidt tot zuiver leerlingschap. Zóó kan Christus’ welbehagen toch in de Zijnen rusten straks; de steenen, die God invoegt, wijken niet in der eeuwigheid. Aan Zijn volk vertrouwt zich Christus, omdat Hij zich aan God vertrouwt; God, die zich nooit vergist, noch in het bestek, noch in het materiaal van Zijn tempel.

Discipelschap is hier vertrouwenszaak; van ónze zijde gezien, voert dat de verantwoordelijkheid der liefde, en, van Gods zijde gezien, de verzekerdheid ten toppunt op.

*

En nu willen we ook dat tweede motief overwegen: dat Jezus toch zijn menschen kènt; dat zijn discipel-werving voor Hem geen proefneming wordt, al moet het vertrouwen er bij te pas komen.

Onder ons, gewone menschen, is het anders.

Buiten Christus is immers onderwijzen altijd „probeeren”. De meester probeert den leerling; de leerling ook den meester. Want onderwijs, dat lééft, is uitruiling van geestelijk goed, zielsverkeer. Maar ként de meester ooit den leerling geheel? Neen. Deze is niet „naakt” voor genen, d.w.z. aan den buitenkant onttrekt zich de leerling veelszins aan de waarneming van den meester. Ook is de leerling niet „geopend” voor wie hem onderwijst, d.w.z. de binnenkant van zijn ziel is een gesloten boek. Dus moet de meester, al onderwijzende, zelf ook studeeren op den leerling. Hij probeert. Hij tast, hij zoekt. Kostelijke uren gaan zoo verloren; kon de meester hem dadelijk doorzien, dan zou het onderwijs naar inhoud en methode veelszins anders geweest zijn. En geheel leert de onderwijzer den discipel nooit kennen. Ten deele denkt de meester over hem anders, ten deele is hij zèlf anders, dan de leerling werkelijk is. Op die punten is er geen contact. Dus moet de leerling deels zichzelf vormen; deels den meester verbeteren. Dat het onderwijs teleurstelt, en mislukt soms, ligt nooit alleen aan den leerling, het ligt óók aan den meester. Want de gever ontvangt ook, en de ontvanger geeft ook; en geheel kwijt kunnen ze zich aan elkaar nooit. Ten slotte moet niet alleen de meester den leerling probeeren, maar ook omgekeerd de leerling den meester. De meester is nooit absoluut leeraar, de leerling nooit absoluut discipel.

Maar nu de Christus! Zie, hij werft leerlingen. Maar hij probeert er niet één. Zelfs Judas, Thomas, zijn geen „vergissing”. De toelating tot zijn school is het niet; de afwijzing ook niet. Een informatiedienst heeft Jezus niet noodig; hij doorziet ze: „naakt en geopendc zijn ze allen voor Hem. Sidder nu: een leermeester, die zelf niet „probeert”, dien moogt gij óók niet probeeren, leerling! Hij vindt voor elk verschijnsel in uw ziel aansluiting. Beef nu: hij onderwijst alleen, maar leert van u niets. Leermiddelen en methode deugen altijd. Van uw uitkomst weet hij bij uw inkomst: elk onderwijs na uw inkomst is berekend om die uitkomst aan het eind u te doen bereiken. Geen uur gaat aan probeersels verloren; het Woord doet altijd wat in u, geen enkel woord keert ledig weer. Sidder, o mensch. De autoriteit van dezen Rabbi wordt niet achteraf vastgesteld als zijn onderwijs houdbaar en zijn leerlingental, dat slaagt, bevredigend is gebleken. Want hij slaagt altijd, ook als de leerling het niet doet. Zijn autoriteit ligt in hem zelf, niet in zijn leer alleen. Hij neemt geen proef, hij is dus boven alle leerlingschap verheven en is alleen maar leeraar voor u. Welke leerling kan iets nemen tenzij uit Zijn volheid? Wie kan discipel zijn en boven dezen meester triumfeeren? Hier is het leerlingschap absoluut evenals het leeraar-zijn; en dat is op aarde nog nooit vertoond — buiten den Christus. Mislukt gij — aan den meester ligt het niet. De zegen ligt niet aan u, maar aan Hem, de mislukking niet aan hem, maar aan u. En — probeeren is niet gelooven.


K. Schilder.




a. Opnieuw gepubliceerd als ‘Discipelschap — een vertrouwenszaak’, Goud, Wierook en Myrrhe, Delft (W.D. Meinema) 1926-1927, 38 (5 februari) en ‘Discipelwerving — geen proefneming’, Goud, Wierook en Myrrhe, Delft (W.D. Meinema) 1926-1927, 39 (6 februari).

b. Vgl. 1 Korintiërs 3:12v.

c. Vgl. Hebreeën 4:13.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000