6 februari DISCIPELWERVING GEEN PROEFNEMING.
Hij had niet van noode, dat iemand getuigen zoude van den mensch, want hijzelf wist, wat in den mensch was.
Maar nu de Christus? Zie, hij werft leerlingen. Maar hij probeert er niet een. Zelfs Judas, Thomas, zijn geen vergissing. De toelating is het niet; de afwijzing ook niet. Een informatiedienst heeft Jezus niet noodig; hij doorziet ze: naakt en geopend b zijn ze allen voor Hem. Sidder nu: een leermeester, die zelf niet probeert, dien moogt gij ook niet probeeren, leerling! Hij vindt voor elk verschijnsel in uw ziel aansluiting. Beef nu: hij onderwijst alleen, maar leert van u niets. Leermiddelen en methode deugen altijd. Van uw uitkomst weet hij bij uw inkomst: elk onderwijs na uw inkomst is berekend om die uitkomst aan het eind u te doen bereiken. Geen uur gaat aan probeersels verloren; het Woord doet altijd wat in u, geen enkel woord keert ledig weer. Sidder, o mensch. De autoriteit van dezen Rabbi wordt niet achteraf vastgesteld als zijn onderwijs houdbaar en zijn leerlingental, dat slaagt, bevredigend is gebleken. Want hij slaagt altijd, ook als de leerling het niet doet. Zijn autoriteit ligt in hem zelf, niet in zijn leer alleen. Hij neemt geen proef, hij is dus boven alle leerlingschap verheven en is alleen maar leeraar voor u. Welke leerling kan iets nemen tenzij uit Zijn volheid? Wie kan discipel zijn en boven dezen meester triumfeeren? Hier is het leerlingschap absoluut evenals het leeraar-zijn; en dat is op aarde nog nooit vertoond buiten den Christus. Mislukt gij aan den meester ligt het niet. De zegen ligt niet aan u, maar aan Hem, de mislukking niet aan hem, maar aan u. En probeeren is niet gelooven; het leidt er steeds van af. LEZEN: Johannes 4 : 16-19, 28-30, 39-42. a. Opgenomen in VWS I,139-140. Eerder gepubliceerd als Discipelschap en discipelwerving, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 24 (15 oktober 1926). b. Vgl. Hebreeën 4:13. |