In je geloof trouwen, of . . .

Onze Prinsenstad. Christelijk Dagblad voor Delft en omstreken

1e jaargang, Delft, 1923v
nummer 39, 42, 43 (geen paginering) (maandag 14, donderdag 17 en vrijdag 18 mei 1923)

a


IIIIII

I.

Wel, wel, daar heeft een zekere heer A.B.K., nog wel op den rooden „heiligendag”, 1 Mei 1923, mij de eer aangedaan, in het sociaal-democratisch dagblad „Voorwaarts” b een hoofdartikel, althans voor een gedeelte, te wijden aan een paar zinnetjes, die ik geschreven heb. Aldus is de aanhef van „De Voorwaarts” van j.l. Zaterdag, in het hoofdartikel: „In je geloof trouwen, of . . .”:

„De Predikant K. Schilder heeft dezer dagen in het weekblad „De Bazuin” laten drukken, dat een scherper optreden tegen het gemengde huwelijk wel wenschelijk is. „Immers, volgens de onder ons gangbare verklaring van Genesis VI (het begin) heeft het gemengde huwelijk den zondvloed gebracht, en werd de oorzaak van den ondergang van ’t eerste wereldrond.”

Met een variant op ’n bekende uitdrukking zou men hiervan kunnen zeggen: „In je geloof trouwen of verzuipen!

Dit is geen vroolijk vooruitzicht, te minder omdat hier weer als gewoonlijk de goeden met de kwaden moeten lijden, de echtparen van één-en-dezelfde belijdenis tezamen met de mannen en vrouwen van gekruist geloof door de gezwollen wateren zullen worden verslonden!”

Hier liggen al vast de eerste domheden van den heer A.B.K. En zijn eerste ongemanierdheden ook.

Of is dat geen domheid, als iemand beweert, dat een predikant, die volgens de terminologie van de roode heeren onder de fijne dominees is te rekenen, een tweeden zondvloed aankondigt? Als de man, die hier zoo’n hoogen toon aanslaat, die oordeelt over bijbel en dominees, nu eens even had opgeslagen Genesis VI (zou hij ’t wel kunnen vinden?), en als hij dan eens even verder gelezen had, dan zou hij hebben kunnen weten, dat juist een gereformeerde dominee een tweeden zondvloed onder de absolute onmogelijkheden rekent, omdat de bijbel rondweg verklaart, dat er geen sprake van een anderen zondvloed ooit wezen kan.

Zóó maakt meneer A.B.K. een dominée en een kerkelijk blad bespottelijk; concludeert uit een woord, waar hij geen steek van begrijpt iets, dat absoluut niet door mij gezegd is, en gaat dan verder kalmpjes daarover door redeneeren! Dat zijn dan de heeren, die den mond vol hebben van „volksverdomming”. Ja, ja.

Maar, zoo zegt u misschien, dat is toch al een begin van eerlijkheid, dat de heeren van „de Voorwaarts” eindelijk eens nota nemen van wat kerkelijke bladen schrijven?

Lezer, dat is een vergissing.

Meneer A.B.K. weet heelemaal niet wat De Bazuin is en heeft het blad nog nooit gezien. Hij heeft zijn wijsheid, heeft heeft dat simpele zinnetje, uit „Het Volk” waarschijnlijk, en dat roode blad had het natuurlijk ook niet uit de eerste hand. Dat „Het Volk” hier in ’t spel is, valt licht te begrijpen. „Het Volk” heeft n.l. ook ’t Bazuin-citaat „gemengd nieuws” (!) gemaakt en zijn simpele lezers ’t allereerst vermaakt met de dolle bewering, dat ik een nieuwen zondvloed aankondigde, als de gemengde huwelijken niet ophielden. Natuurlijk is de man van het gemengd nieuws van „Het Volk” niet erg in de logica thuis; want hoe iemand, die hollandsch lezen kan en normale hersenen heeft, uit mijn zinnetje den tweeden zondvloed halen kan, werkelijk, het is mij een raadsel, zoolang ik aan ’s mans eerlijkheid wil blijven gelooven. In elk geval is hier volkomen gebrek aan ernst. Tegenover een „kerkelijk blad” kan men zich ginds veel veroorloven. En onwillekeurig denkt men aan den oproerigen krabbelaar van „Het Volk” c, die, enkele weken geleden een christelijk schrijver aldus te lijf ging:

„. . . Arme kruisjes-zetter, je bent in de war, zielig, maar o, zoo verklaarbaar.”

Zoo is A.B.K., die met de oproerige krabbels niet onbekend is, óók zielig in de war, en „Het Volk” is in de war, en ook de Notenkraker is in de war; maar het is „o zoo verklaarbaar”: want tegenover de kerk mag ongeveer alles.

Ook in „De Notenkraker” d. Want ook dit blad komt los. Dat zulk een blad aan bronnenstudie zou doen, is van de notenkrakers wat veel gevergd. Maar dat de rijmelaar-kraker, geheeten Th. v.d. S., op een onnoozelheidje van een ietwat verward gemengd-nieuws-brein van „Het Volk” zou doorslaan en dan aan ’t rijmen zou gaan over iets, wat alleen uit den wat al te fantastischen Volks-duim gezogen is, wel, daar staat men van te kijken. Ziet, wat de domheden van „Het Volk” vermogen:

Dominé Schilder heet hij,
En in felle kleuren weet hij
Te schilderen, welk gevaar ons dreigt,
Als ’t aantal gemengde huw’lijken stijgt.
„En weet gij dan niet, o zondaars”,
Zoo schalt hij in „De Bazuin”,
„Hoe eens de wateren stegen
Hoog boven der bergen kruin
Om d’aarde schoon te spoelen
Van ’t vuile menschengeslacht,
Dat door zijn gemengde huw’lijk
Gespot had met ’s Heeren macht?”
Och, best dominé Schilder,
Al rijzen in schitterend tal
Uw scholen uit Hollands bodem,
Al wordt der menschen val
Den kinderkens voorgehouden
Al teekent ge scherp en fel
’t Gemengde huwelijksleven
Als voorportaal van de hel,
Geen zondvloed bluscht zondige min,
En ik vrees maar al te zeer,
Dat Amor, die eeuwige heiden,
Blind blijft voor de ware leer.

Flink toch zoo’n rijmpje, waarvan de kwintessens berust . . . enkel op een dommigheidje van „Het Volk”, dat mij een tweeden zondvloed liet profeteeren, dien ik nog nooit geloofd heb.

Het toppunt nu in deze onnoozelheid bereikt A.B.K., die aan gezegde flater op het gebied der logica van „Het Volk” een hoofdartikel wijdt, omdat de man A.B.K. ook al geen spaan afweet van één van onze hoofdgedachten (b.v. de onmogelijkheid van een tweeden zondvloed). A.B.K., de letters doen een vaag vermoeden rijzen omtrent den schrijver van die reusachtige vergissing; en àls die A.B.K. dezelfde mocht zijn als de meneer, dien „De Notenkraker” rijmend aldus begroet:

A.B.K. de onvolprezen
En begaafde werkmanstolk,
Schrijft een stoere krabbel . . . .,

dan zeggen we van zijn hoofdartikel, dat het voor dezen keer wel van ge„krabbel”, maar niet van (logische) „begaafd”heid bewijs aflegt.

Waarom deze dingen niet zonder beteekenis zijn?

Allereerst om de oneerlijkheid, die erin spreekt. Iemand, die zóómaar hoofdartikelen neerpent op grond van een louter verzinsel van een collega, die totaal vreemd staat tegenover den gedachteninhoud van een tegenstander, is niet eerlijk. Ik heb „Het Volk” een ingezonden stuk gezonden om te vertellen, dat die onzin van den tweeden zondvloed niet uit mijn hoofd, doch uit den duim van „Het Volk” kwam. „Het Volk” heeft dat stukje geplaatst, al was het dan ook wat laat en al was het dan ook wat erg verminkt en al was het dan ook zonder ruiterlijke erkenning van de grove vergissing, die een beginneling in de logica kon controleeren. Maar zal „De Notenkraker” nu zeggen: mijn rijmpje was nonsens, achteraf bekeken? En heeft „De Voorwaarts” al gezegd: meneer A.B.K. blijkt zich in de vingers gesneden te hebben; niet „de wateren” van dominees verbeelding, doch de duim van A.B.K.’s verbeelding was „gezwollen”?

Als u er iets van merkt, lezer, vertel ’t me dan eens? ’t Is gauw genoeg te zien, want de heeren hangen hun gekrabbel, hun begaafd gekrabbel, nog wel voor ’t raam.

Of één Volk-redacteur ook invloed heeft! Eén onnoozelheid van hem en al de roode pennen huppelen over het Voorwaarts-papier.

Als één van ons ’n enkel keertje blijk geeft, een uitspraak van een socialist niet goed weer te geven, of een socialistische grondgedachte niet te verstaan, en er dan toch over durft praten, wel, dan hebben de heeren direkt hun scheldwoorden klaar: volksverleugening, volksverdomming, enz.

Maar hier wordt in een hoofdartikel van „De Voorwaarts” mij een meening toegedicht precies tegenovergesteld aan wat ik geloof; en een van de grondgedachten van onze bijbel-uitlegging wordt hier totaal genegeerd en op den kop gezet; en toch houden de heeren 1 Mei-dag om tegen reactie en kerkelijke achterlijkheid te protesteeren!

Want — tegenover ons mag alles!

Intusschen is één ding in dit alles een lichtpunt.

Ze helpen op die manier ons heel goed mee om de oogen te openen voor het gevaar van het gemengde huwelijk. De bewering, die zoo vaak als lokaas dienen moet, dat het roode volk den godsdienst en den bijbel geen kwaad zal doen, krijgt op die manier een aardigen duw. Wie zóó goedkoop, en zóó onwaarachtig zich vermaakt met een kerkelijk blad, bewijst, dat hij van de eenvoudigste bijbelsche gegevens niets afweet. Dat is, behalve een ook door „niet-fijnen” erkend cultuur-gebrek in zulke volksvoorlichters, óók een bewijs voor wie het nog niet gelooven mochten, dat wie zich aan zulke leiding overgeeft, Christus verloochent. De oproerige krabbelaar van „Het Volk” heeft nog pas geschreven over één van die „goede joden”, die voor de verlossing hunner gedrukte medemenschen hun leven gaven. En A.B.K. spreekt van „gekruist geloof”. Nu weten we tenminste, hoe de heeren denken over God en Christus. En als dan A.B.K. zegt:

„Gelukkig is de „Bazuin”-stoot van den verontrusten dominée niet in de eenzaamheid verklonken”,

nu, dan kan de „verontruste dominée” zelfs A.B.K. bedanken, dat hij den „Bazuin”-stoot verder de wereld in geholpen heeft. Misschien heeft een of ander jongmensch, die in het geloof aan den gekruiste nog iets heiligs en machtigs aanneemt, toch even gevoeld, dat „de Voorwaarts” met zijn smalen op „gekruist geloof” niet moet femelen, dat het niet tegen God en Christus is.

Het blad heeft me aan een heel goede illustratie geholpen voor mijn bewering, dat een huwelijk van iemand, die zegt te gelooven, met een slachtoffer van deze leugen- en lasterbedrijven moet zijn een mislukking.

Doch daarover in een volgend artikel.


II.

Overigens is het artikel van den heer A.B.K. nog om andere dingen merkwaardig.

Ik zal nu maar niet spreken over het al te gewaagde en op onjuiste chronologie berustende verzinsel, dat „de Hoogedelgestrenge Bomans” e, (die de kerkelijke huwelijksbevestiging na de huwelijksvoltrekking op het stadhuis, zou willen vervangen door een huwelijkssluiting door de kerk ineens en dan zonder stadhuis) „het noodsignaal vernomen had” van „den verontrusten dominee”. Ik voor mij durf de Bazuin niet in de handen van den Heer Bomans denken, maar de Heer A.B.K. moest hem toch ook niet als trouw doorsnuffelaar van Het Volk (gemengd nieuws) denken!

Meer loonend is het, even in te gaan op zijn bewering, dat een huwelijkssluiting enkel door de kerk (zonder overheid) niet alleen maar van de (roomsch) katholieken een oude hartewensch is, doch ook van protestanten, en, blijkens het verband, ook van noodkreet-slakende dominees, die over gemengde huwelijken de Bazuin blazen. Hoor, wat A.B.K. te zegen heeft:

„Dit is een oude hartewensch der Katholieken en niet van hen alléén. Ook van orthodoxe Protestanten en Joden, voor wie de kerkelijke plechtigheid niet wijding maar voltrekking des huwelijks beteekent, waarop de voorafgaande Stadhuis-verbintenis voor hun gevoel inbreuk maakt. En men kan dan ook uit die kringen dikwijls genoeg huwelijksaankondigingen lezen, met de vermelding, dat „de voltrekking” zal plaats hebben in deze of gene kerk, waarin dan opzettelijk de stadhuisplicht, ofschoon gedwongen nagekomen . . . genegeerd wordt.”

Maar, o Voorwaarts-schrijver, o dominees-hekelaar, die bewering is toch wel wat heel gemakkelijk. Verzuimd wordt allereerst, van die huwelijksaankondigingen (die de kerkelijke plechtigheid als de eigenlijke „voltrekking” van het huwelijk zouden willen naar voren schuiven met voorbijgang van den stadhuisplicht) voorbeelden te geven. Beweren is gemakkelijk, bewijzen is moeilijker.

Doch ook voor het overige schrijft de Heer A.B.K. over dingen, die hij niet weet en toch moest weten. Aangezien het vandaag toch loopt over een gereformeerden Bazuin-stoot, zal ik me tot de „orthodoxe Protestanten” bepalen, en van de Joden nu maar zwijgen.

Ook van de orthodoxe Protestanten, die af en toe een ketterjagerig gekrijsch doen hooren, heeft in gekreun A.B.K. ontdekt, dat zij de stadhuis-verbintenis liefst zoo spoedig mogelijk zouden willen laten verdwijnen. En de klager over den „verontrusten dominee” is zelf al zóó „verontrust”, dat hij zijn Voorwaarts-publiek waarschuwt voor dit gevaar,

. . . in ons onder ketterjagerij kreunend landje, dat hier weder, in den vorm van ’n onschuldige wetswijziging, een nieuw soort gewetensdwang wordt geschapen.”

Zelfs is A.B.K. zóó „verontrust”, dat hij van de Bomans-politiek en het Bazuin-geschal „een nieuw dwangorgaan” voor onze Nederlandsche „rijk voorziene folterkamer” ducht!

Ik zal den Heer A.B.K. maar niet vertellen, dat verleden week óók al een Bazuin-stoot geklonken heeft tegen een concordaat tusschen kerk en overheid, waarbij de kerkelijke huwelijksacte een officieel bedrijf van den burgerlijken stand zou worden.

Maar we willen hem op andere wijze wel eens herinneren, dat hij tegen spoken vecht. Moest A.B.K. niet geweten hebben, hoe b.v. de anti-revolutionairen door Dr A. Kuyper voorgelicht zijn? Wie gunnen hem enkele citaten van Dr. Kuyper. Hij leze en zie en wrijve de oogen uit:

„Uiteraard behoort het huwelijk tot het natuurlijke leven, d.w.z. ook al ware er geen zonde gekomen, en al ware er dus geen kerk gesticht, toch zou het huwelijk er geweest zijn. Reeds uit dien hoofde gaat het niet aan, dat de kerk het huwelijk voor zich opeische” (E Voto IV, 141).

„Ook hier te lande hebben onze gereformeerde kerken van meet af allerlei uitwendige regeling van het huwelijk naar de Overheid verwezen. En reeds de Synode van Emden toonde duidelijk, dat zij op het gebied van het natuurlijk leven geen opperheerschappij van de kerken beoogde”. (IV, 142).

U sprak van een folterkamer, Heer A.B.K.? En u vreesde, dat de synode-menschen van orthodox kaliber uw stadhuis-menschen er mee bedreigen zouden? Laat Dr Kuyper u dan vertellen, dat in 1571 (synode van Emden) de overheid de gereformeerden op de folterkamer tracteerde, maar dat toen reeds de gereformeerden van uw folterkamer-fantasie zich publiek hebben vrijgemaakt.

En als u nog een paar orthodox-protestantsche, ja, Kuyperiaansche uitspraken wilt; om u te dienen:

„Er is geen sprake van inmenging in een haar vreemde aangelegenheid, zoo de Overheid den eisch stelt, dat het huwelijk ook burgerlijk zal gesloten worden. Het huwelijk is nu eenmaal uit zijn aard een uiting van het natuurlijke leven . . . en het kome ongetwijfeld aan de overheid toe ook ten deze met gezag op te treden” (Gem. gratie, III, 345, 346). „Het burgerlijk huwelijk te willen ontduiken of voorbijgaan is stellig zonde voor God.” (347).

Is ’t nu genoeg?

Als de Voorwaarts nu meent, dat wij „de folterkamer” voor de heeren willen klaar maken, dan kunnen ze hier hooren, dat wat hiertoe dienen moest (voorbijgang inzake huwelijk van het stadhuis) meer speciaal onder Voorwaarts-lezers dan onder Kuyperiaansche Bazuin-schallers voorkomt.

En nu geef ik de Voorwaarts onmiddellijk toe, dat Dr. A. Kuyper er tegen opkomt, dat de overheid zegt, het huwelijk te moeten voltrekken. Maar die bewering van Dr. K. is geen aanloopje om de uitspraak te krijgen, die A.B.K. een foltering lijkt, dat n.l. de kerk het huwelijk voltrekt. Neen, Dr. K. spreekt zoo, omdat hij allereerst het recht van gezin en familieband wil vastgelegd en erkend zien. In de eerste plaats het recht van de familie, daarna de acte van de overheid en in de derde plaats die van de kerk. Zóó is zijn orde. Heusch, de folterkamer is pure fantasie van A.B.K. Letterlijk schrijft Dr. Kuyper:

„Niet de kerk en niet de overheid gaat voorop, maar de familie; dan volgt de overheid, en dan eerst komt de kerk”. (Gem. gratie, III, 361). „Hierbij nu heeft de kerk geen zaggenschap over de overheid en de overheid geen zeggenschap over de kerk” (l.l.). „Nergens is de kerk aangewezen om in den naam des Heeren ook op burgerlijk terrein als zijn representant op te treden.” Maar aan den anderen kant: „De kerk komt niet achter de overheid aan, maar overheid en kerk beide voldingen een acte, die uit het familieleven opkomt”. (E Voto, IV, 142, 143).

Ik kan nu verder de Joden over wie A.B.K. in zijn verontrusting ook al orakelt, wel laten rusten. Want ik heb, dunkt me, bewezen, dat de Voorwaarts-man spoken ziet. Hij zal wel niet zeggen, dat de citaten van Dr. Kuyper nog geen bewijs zijn, dat wij, zijn zonen, niet àl „bazuinend”, achter den Heer Bomans aan zullen komen hinken; want tot nu toe hebben de heeren van Volk, Notenkraker en Voorwaarts heel wat noten gekraakt over onze slaafsche Kuyper-navolging.

En zoo blijft in allen ernst de vraag over, of dàt nu volksvoorlichting heet? De Bazuin en Bomans, wel, wel, ze hadden nooit gedacht, nog eens in één adem genoemd te worden; maar de eer der valsch-vernuftige vinding komt aan A.B.K. van De Voorwaarts glansrijk toe. Maar het blijft met dat al een bewijs van schromelijke bijziendheid als de „Voorwaarts” zoo maar „Bazuin” en Bomans, roomsch- en orthodox-protestant, ja zelfs Jood, op één lijn plaatst, en hen allen in slagorde al ziet oprukken naar de „rijk-voorziene folterkamer” om de „Voorwaarts”-menschen een stuip op ’t lijf te jagen van schrik.

Wat zijn de heeren toch arm in het onderscheiden van dingen op kerkelijk en godsdienstig gebied!

En toch — schelden, ophitsen, tegen àlle religie de goedmoedige lezers ophitsen met de benauwende leuze van „zedelijken dwang” en „ketterjagerij”!

Zoo krop ten slotte al die onrust van den ontrusten volks-voorlichter A.B.K. op in zijn keel, tot hij, kreunend onder onze ketterjagerij, het uitzucht:

„Wordt het plannetje, door den heer Bomans aangekondigd, tot wet verheven, dan zal (met name in Roomschen kring) het stadhuis-huwelijk geheel verdwijnen, de alléén-kerkelijke trouwerij regel worden.

Het stadhuishuwelijk zal het monopolie der heidenen worden. En meer dan ooit zal wie dáár trouwt, in de geloofspropaganda uitgekreten worden als ’n inderdaad ongehuwde.”

De heer A.B.K. neme een glas water nu.

Want: het stadhuis-huwelijk zal, zoolang nog de „Bazuinen” „schallen” zullen van de orthodoxe menschen niet het monopolie der heidenen worden. Het zou aandoenlijk zijn, te vernemen, dat „de Voorwaarts” toch zoo bezorgd is voor de valuta van de stadhuis-papieren, als niet de laster te groot was in zijn losgelaten trippel- en huppel-ideetjes over ons. Want werkelijk, het kan niet mooier haast. Nu hebben wij altijd beweerd, dat het, nu ja, zoo’n beetje heidensch was, het stadhuis op den trouwdag te passeeren. Maar A.B.K. zoekt daar iets achter. Hij vermoedt daarachter de stiekeme bedoeling, om het nog eens zoo ver te krijgen, dat juist het aandoen van het stadhuis voor den huwelijksgang het puurste heidendom wordt.

O ja, de zorg voor het stadhuisbriefje en de bescherming van zijn blanke schooonheid tegen de idee zelfs, dat het niet meer dan heidensch, profaan, zou zijn . . . het is, om er klein bij te worden. En dat dan de „Voorwaarts” zoo bang is, dat wij zijn publiek als heidenen zullen bestempelen . . . Dat het zooveel waarde aan ons oordeel hecht . . .

Welaan, als A.B.K. soms van dien troost gediend wil zijn: dan aanvaarde hij goedmoedig onze plechtige verzekering, dat, zoolang wij van Abraham Kuyper trouwe volgelingen zullen zijn, wij de „Voorwaarts”-menschen niet alleen zullen laten op hun trouwdag. Wat ook gebeurt, wij, Kuyperianen, gaan óók mee naar het stadhuis! En wij zullen alle Bazuinen blazen en alle Herauten doen verkondigen, dat onder de Standaard van „Het Stadhuisrecht bij het Huwelijk” zich óók hebben geschaard, geestdriftig in hun martelaarschap, (dat zij met ons deelen) de zonen en de dochteren van A.B.K.

Doch voor het zoover komen kan, moet A.B.K. toch ophouden met spoken te zien. Spoken brengen niet „voorwaarts”, al is het soms voordeelig, ze op te voeren. En als ’t niet te veel gevraagd is, dan probeere A.B.K. alvorens hij zijn lezers vermaakt met en ophitst tegen de menschen van de kerk, toch eerst het onderscheid te begrijpen tusschen een roomsche en een gereformeerde, tusschen Bomans en de Bazuin. Ten minste, als hij er over schrijven wil.


III.

En nu eindelijk een laatste woord over de methode van De Voorwaarts, om onze antipathie tegen het gemengde huwelijk, als onverdraagzaamheid, ketterjacht, gewetensdwang te brandmerken en daar dan zoo ook al munt uit te slaan voor de roode propaganda.

De heer A.B.K. heeft schijnbaar niets tegen het gemengde huwelijk. En over wie er wèl tegen zijn, schudt hij het verdraagzame hoofd. Hoor slechts, welke marteling de kerkelijke pijnbank aan het gemengde paartje oplegt volgens A.B.K.:

„Ieder weet, welk een lijdensgeschiedenis dikwijls aan zulk een verbintenis voorafgaat, en op welke wijze de verhindering van zulke huwelijken wordt beproefd. Wij hebben zelf bij herhaling de gruwelijkste methoden zien toepassen, om jonge arbeiders en arbeidersmeisjes, van huis uit in verschillend geloof groot-gebracht, die elkaar in en door onze beweging hadden ontmoet en liefgekregen, uiteen te drijven. Het lust ons niet, ’t is overbodig trouwens, op die histories in te gaan. Wij zijn er zeker van, dat het gros onzer lezers die voorbeelden wel kent uit waarneming in eigen kring”.

We weten het nu: gruwelijke, „gruwelijkste methoden, zedelijke dwang” van „onverdraagzame lieden”.

En toch, wat is redelijker, dan een optreden tegen het gemengde huwelijk?

Wees roomsch of protestant, wees antirevolutionair of socialist, als ge waarlijk zijt, die ge heet, dan kunt ge er niet onverschillig voor zijn, dat degene die met u het leven doorgaat en het allerintiemste daarvan met u deelt, ook in uw waarachtige levensovertuiging en levenstaak met u meeleeft.

Alleen slappelingen in een geestelijke beweging kunnen met het gemengde huwelijk vrede hebben.

Want als ze naast zich, dag en nacht, iemand hebben, die in hun diepste levensovertuiging niet in kan dringen, niet in wil dringen, niet in mag dringen, dan wordt dat huwelijk zelf een ondragelijk iets, als elk der twee partijen opkomt voor wat hem als waarheid geldt; óf, als ze erover zwijgen moeten, ter wille van den vrede, dan is het huwelijk toch óók mislukt en de geestelijke overtuiging is verloochend.

Want een goed christen kan van zijn God niet zwijgen.

En een goed socialist kan van zijn socialisme ook niet zwijgen.

Is A.B.K. de „oproerige krabbels” van „Het Volk” vergeten? De man die ze schrijft, getuigde onlangs van Loopuit, den socialistischen leider, dat in zijn hartplaats was voor niets dan voor de partij, zijn god en zijn alles.”

En toen daar door een antirevolutionair, dien de oproerige krabbelaar een „armen kruisjeszetter” schold, aanmerking op gemaakt werd, heeft de krabbelaar nog eens verdedigd dat Loopuit van zijn partij wel degelijk zijn God mocht maken.

Gelukkig, wij, „onverdraagzamen”, preeken nog altijd in de kerk, waar A.B.K. natuurlijk te hoog voor staat, dat onze menschen van hun partij geen god mogen maken. Maar de verdraagzame krabbels van den oproerigen Volksman vinden het wel goed, prijzen het zelfs aan. En dan heet het van den dooden Loopuit: deze was ten voorbeeld, want . . . de partij was zijn God.

Maar kunnen de roode heeren zwijgen van hun God?

Neen, roepen ze als om strijd. En ze meenen ’t ook. Juist in onze dagen toch wordt het socialisme algemeen geïdealiseerd.

Hetzij men bij de roode dames of heeren dichter of dichteres is, hetzij men oproerige krabbels schrijft, hetzij men de Voorwaartskolommen opvult met hoofdartikelen, die op nonsens berusten (zie I en II), het refrein is altijd weer:

De partij is onze God!

En voor een God moet men alles over hebben!

Het Socialisme is de Heilige Geest!

En van den Heiligen Geest moet men „vervuld” worden.

U vraagt bewijzen, lezer, voor deze apotheose van het socialisme?

Ze zijn er in de historie. Want de socialisten zijn honderdmaal meer onverdraagzaam dan wij, die ere voor gescholden worden.

Maar de bewijzen staan ook op papier.

Het is niet een „verontruste dominee”, maar het is de heer C. Scharten, die erop wijst, dat de dichteres van het socialisme, Mevrouw Roland-Holst, in haar verheerlijking van het socialisme, (dat dan haar „god” is), vlaknaast de dichters van het Katholicisme staat (De Roeping der Kunst, blz. 378). „Het Socialisme is der dichteres de Godheid, de Heilige Geest, van wien zij alle heil verwacht. Zij predikt hem met de diepe lokstem e nde brandende overreding der groote predikers en zij zingt hem toe met de vervoering der groote geloofszangers.” Ze voorzegt zelfs in haar gedicht „Het Feest der Gedachtenis”, hoe de socialisten straks óók hun heiligendagen vieren (precies als die onverdraagzame „Katholieken”), waarbij de groote martelaressen van het socialisme herdacht worden. „En dit is wel de voornaamste, diep-inwendige, gelijkenis van de Nieuwe (socialistische) Religie en de Oude Kerk van Rome in het alleen zaligmakende” (blz. 381, 382).

Voor zulk een dichterlijk visioen van het socialisme als godsdienst is een huwelijk van een socialist met een andersdenkende een verloochening van „zijn” godsdienst, of . . . het is geen huwelijk. Precies als bij ons.

Maar, zegt misschien een lezer, die dichteres zweeft zoo hoog en dweept misschien? Geef me een nuchter oordeel dat meer op de vlakte staat?

Maar U is toch niet vergeten, wat de oproerige krabbelaar in Het Volk, prozaïsch-nuchter als weinigen, van de partij als god opmerkte?

En als U nu heelemaal op de valkte der nuchtere stemming blijven wil, welnu, lees dan, wat de heer A.B. K(leerekoper) in zijn zoogenaamde „preek over ’t Pinksterverhaal” zelf heeft beweerd, verleden Zondag in ’t W.B. Theater in R’dam. Eerst komt hij met de armzalige bewering, dat een socialist zich zoo thuis gevoelt in het bijbelsch pinksterverhaal: doop, bekeering, volharding in de leer der apostelen; kerkformatie enz. worden dan toch zeker maar voor ’t gemak overgeslagen? Dàn wordt weer eens, al is ’t reeds duizendmaal weerlegd, het verhaal van de gemeenschap der goederen te Jeruzalem uitgelegd in socialistischen zin, een uitlegging, waarvan de onhoudbaarheid tot vervelens toe is aangetoond, maar bij deze heeren voor doovemansooren. En tenslotte zei de heer Kleerekoper:

„Ieder lid van de Partij moet een priester, een apostel en een propagandist zijn om deze Pinksterboodschap te brengen in Rotterdam: Wij willen dat alle menschen, welke taal zij ook spreken, zullen luisteren naar een verkondiging waarin de Heilige Geest merkbaar wordt. De verkondiging van een idee, een ideaal, dat elk zijn have en goed, zijn hebben en houden geeft aan de groote gemeenschap, die voor allen zorgen zal naar hunnen nood.

Nadat spr. gewezen heeft op de spoorwegstaking in België, waar ons 1903 herhaald wordt, zegt hij ten slotte: Zou Europa het Pinksterfeest werkelijk maar niet overslaan? En is het niet hoog tijd, dat ieder getuigenis aflegt, dat hij voelt, hoe de Heilige Geest over hem is uitgestort? (Daverend langdurig applaus.)”

Zoo wordt dus ook in politieke verkiezingsspeeches de dichterlijke visie van Mevr. Roland-Holst (en andere socialistische poëten) naar het volk overgedragen, en zoo verknoeien de heeren den bijbel om toch maar te bewijzen, dat hun gehoor moet vol zijn van hun z.g. Heilige Geest.

Lezer, wat staat u nu meer tegen: de gruwelijke verminking van het Pinksterverhaal òf het doodonschuldige gezicht, dat A.B.K. zet, wanneer het gaat over gemengde huwelijken?

Gemengde huwelijken zijn op het standpunt van deze menschen zelf een verloochening van hun óok alleen zaligmakende leer.

Wie met den Geest vervuld is (ook met den zoogenaamden „Heiligen” Geest die de Marseillaise leert inplaats van de liederen der Jeruzalemsche gemeente waar Kleerekoper zich zoo goed thuis zegt te voelen), wie vervuld is van een Geest, die moet en die zàl dat allereerst toonen in zijn gezinsvorming. De heeren „hebben lang genoeg bemind” (was dat maar zoo); „ze willen eindelijk haten”.

Haten.

Maar dan moeten ze niet een vrouw nemen, die, volgens hun verdraaide Pinksterlogica, hun haat verdient; en omgekeerd.

Of zou deze tegenstrijdigheid tusschen Kleerekoper voor het W.B. Theater (die zegt: de partij eischt alles, ze is God), èn A.B.K. van De Voorwaarts (die fleemt: niets erg, als je in je huwelijk de partij op zij zet), misschien hieruit te verklaren zijn, dat de heeren niet meer weten wat het Godsbegrip is?

Dàn zou te begrijpen zijn, waarom ze een gemend huwelijk goed praten tegenover ons, als ze het waarachtige Godsbegrip er in hopen te zien uitgewischt, en waarom ze zelf er zoo tegen zijn, als ze maar vermoeden, dat een roode stem verloren gaat door den invloed van het gemengde huwelijk?

Roland Holst, we zeiden het reeds, heeft „heiligendag” geprofeteerd, waarop de martelares(sen) van het socialisme, Mary Wolstoncraft, Louise Michel en Katharine Breschofsky worden verheerlijkt. Allen aanbidden mee:

„De werkers prevelden iets, eer ze weer
doken in ’t werk. De moeders jong en teer
hielden even op van ’t aandachtig zoogen
en fluisterden „dank” met vochtige oogen.
De ouden zeiden het zacht en de kranken:
men zag hun lijdzame handen mee danken.
De kind’ren staakte’ een oogenblik hun spel . . .” f

Maar dat aspect is toch heel anders, dan de lauwheid van het gemengde huwelijk te verwachten geeft of bewerken kan. Laat A.B.K. nu niet zeggen: dat is onzin. Want Kleerekoper heeft het zelf nagezegd, al was ’t dan ook in wat matter kleuren en met wat heel bar theologisch geknoei. Zondag in Rotterdam voor de kiezers.

En als hij nu eerlijk was, moest A.B.K. tot de „Voorwaarts”-menschen zeggen: pas op voor een gemengd huwelijk.

Want de Pinkstergeest heeft dat aan òns ook gezegd. En dien Pinkstergeest wil Kleerekoper zich annexeeren immers?

Ja, de Pinkstergeest!

Hij heeft ons geleerd dat de tegenstellingen zich zullen verscherpen (Openb. 22 : 11). Hij komt Christus verkondigen, die ook in het gezin ten slotte den vader zal doen opstaan tegen den zoon, als de één wèl, de ander niet Hem aanvaardt.

En een parodie als de heer Kleerekoper nu nog eens weer op het Pinksterverhaal geleverd heeft, bewijst ten slotte dat met zulke geesten geen coalitie te sluiten is voor een christen, allerminst in het huwelijk.

Het 15-jarig meisje, dat onlangs in ’n dagblad per advertentie een „vriendin” vroeg onder de conditie „geen geloof”, was te beklagen. Maar A.B.K. van „De Voorwaarts” moet het toch dezen keer voor haar logica afleggen. Als met een vrienden men niet een uurtje per dag vreedzaam slijten kan, wanneer in het diepste leven de overtuigingen uiteengaan, hoe kunnen dan man en vrouw een leven op die wijze doorbrengen?

A.B.K. moest het werkelijk in de logica tegen dit arrogante wezentje afleggen, tenzij . . .

Tenzij zijn belaching van ons bezwaar tegen gemengde huwelijken even onwaarachtig mocht zijn, als zijn bewering over mijn zondvloed-hypothese onzinnig, en zijn beschouwing over onze relaties met den burgerlijken stand door en door onjuist waren.

Heelemaal gerust ben ik er niet op.

In elk geval wensch ik A.B.K. van „De Voorwaarts” beterschap en ook ’n tikje eerlijkheid tegenover kerkelijke bladen.

en ik heb een heel kleine hoop, dat zijn gesmaal over: „in je geloof trouwen of verzuipen” een beetje al te mal was.


K. Schilder.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. ‘Volk, Notenkraker en Voorwaarts contra Bazuin’, De Bazuin 71 (1923) 20 (19 mei 1923).

b. Voorwaarts. Sociaal-democratisch dagblad, verscheen van 26 juli 1920 (jaargang 1, no. 1) tot 11 mei 1940, te Rotterdam bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In de oorlog overgenomen door de Duitsers, ging het blad na de bevrijding op in Het Vrije Volk.

c. De schrijver van ‘Oproerige Krabbels’, een column in Het Volk, was Asser Benjamin Kleerekoper (1881-1943), dezelfde als A.B.K. in dit artikel.

d. De Notenkraker. Politiek-satiriek weekblad, jaargang 1, no. 1 (5 jan. 1907) - jaargang 30, no. 28 (11 juli 1936), Amsterdam (Arbeiderspers), 1907-1936. Het blad is te beschouwen als een supplement op Het Volk. Dagblad voor de Arbeiderspartij.

e. Vgl. ‘Concordaat?’, De Bazuin 71 (1923) 19 (12 mei 1923).

f. Vgl. Carel Scharten (1878-1950), De roeping der kunst, Amsterdam (Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur) 1917, 381v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000