Het ultimatum — de uiterste, wijl de eerste wil

Leidsche Kerkbode. Orgaan voor de Gereformeerde Kerken van de Classis Leiden

5e jaargang, onder redactie van W. Bouwman e.a.
Leiden (Nieuwe Leidsche Courant) 1926v
nummer 29 (geen paginering) (19 november 1926)

a



Bij herhaling hebben wij het nu gezien: Gods genezing is Zijn ultimatum. Laat ons nu heel voorzichtig zijn en Gods hoogheid niet beleedigen.

Want wat is gevaarlijker, dan te zeggen, dat God een Geneesmeester b is en tegelijk een Krijgsman c, die Zich ten oorlog wapent, als men dien God zich op menschelijke wijze voorstelt? Als een aardsch koning den vrede voor het laatst aanbiedt, maar tegelijkertijd zich voorbereidt op den oorlog, dan is die koning het toppunt van onzekerheid; hij doet zijn aanbod wel, maar twijfelt zelf, of het wel wordt aangenomen. Wat is dat voor een God, die dezen koning gelijk zou zijn en van zijn eigen woorden en hun uitwerking niet gansch verzekerd is? En wederom: een aardsch koning, die een ultimatum stelt aan een anderen vorst, met wien hij welhaast zal oorlogen, hij spreekt wel hooge woorden op hoogen toon, maar is hij niet een zwakkeling? Laat hem tienmaal een voorstel hebben gedaan, negen maal zonder ultimatum, en de tiende maal met de boodschap: dit voorstel is nu het uiterste: het is nu oorlog of vrede, — welnu, dan komt die tiende eisch, het ultimatum, na een negenvoudige nederlaag. Negen maal kreeg hij niet wat hij wilde; en den tienden keer hakt hij den knoop door, maar hij heeft hem niet ontward; en de overwinning is nog onzeker. Een menschelijk ultimatum is sterk van toon, maar zwak van wezen. Wat is mijn God, als ook Hij zijn ultimatum stelt, na zoo veel nederlagen? Bij een menschelijk ultimatum heeft niet degene, die het stelt, de geschiedenis gemaakt, — maar hij, die de eerste eischen weigerde in te willigen. Als wij zóó van God moeten denken, dan zijn wij ellendig; want dan maakt niet God, maar de zondaar de geschiedenis.

Stil nu: èèn ding kan U troosten: Gods ultimatums zijn zóó niet. God zal het Beest genezen d, en een muur van veiligheid rondom degenen plaatsen, die het Beest achternaloopen. Is dat wat nieuws? Neen! Hij heeft ook Kaïn genezen; en Kaïn was de eerste type van het Beest, dat groote slangenzaad. God stelde óók om dien Kaïn een muur van levensbeveiliging; door een teeken hem te stellen e, onttrok God hem aan het veemgericht der menschen; God gaf hem de volle ruimte en genas het Beest van ouds. Want Gods uiterste wil is ook eerste wil. Bij hem geen verandering, noch schaduw van omkeering f. Zijn ultimatums komen aan het eind, omdat ze aan het begin er reeds waren. Want Gods afkeer tegen de zonde, zijn toorn over het kwaad, groeit niet en neemt niet af. Eeuwig is God zichzelf gelijk. De stem die dreigt, die kan sterker spreken; maar de gedachten, die God denkt, zijn van eeuwigheid zichzelf gelijk. En door zijn eersten eisch te stellen vervult Hij zijn raad, die den tweeden heeft bedacht; en van den tweeden eisch gaat Hij tot den derden en zoo gaat Hij door, altijd overwinnend. De ultimatums Gods zijn de uiterste, wijl de eerste wil; daarom zijn ze rechtvaardig, omdat Hij zijn eischen nooit verandert; en zij zijn overwinnend, omdat ze niet op Zijn zwichten voor uw zonde, doch op het zwichten van uw zonde voor Hem altijd berekend zijn.


K. Schilder.




a. Opnieuw gepubliceerd als ‘Het ultimatum — de uiterste, wijl de eerste wil’, De Reformatie 7 (1926v) 16,124v (14 januari 1927); bestemd geweest voor Goud, wierook en myrrhe.

b. Vgl. Exodus 15:26.

c. Vgl. Exodus 15:3; Jesaja 42:13.

d. Vgl. Openbaring 13:3.

e. Vgl. Genesis 4:15.

e. Vgl. Jakobus 1:17.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000