Verwondering
Leidsche Kerkbode. Orgaan voor de Gereformeerde Kerken van de Classis Leiden
5e jaargang, onder redactie van W. Bouwman e.a.
Leiden (Nieuwe Leidsche Courant) 1926v
nummer 26 (geen paginering) (29 oktober 1926)
a
Onlangs zagen we, dat Christus de menschen, die tot Hem komen, kent, dat Hij de diepste schuilhoeken van hun hart weet, eer zij Hem een blik er in gunnen. Hij weet, wat in den mensch is. b
Toch lezen we ook ergens, dat Jezus zich verwonderde over het ongeloof van de menschen (Marcus 6 : 6).
Laat ons het eerlijk belijden: dat lijkt tegenstrijdig: Jezus kènt de menschen door en door; èn hij verwondert zich vanwege hun ongeloof. Hoe kan Hij, die de vijandschap in haar algemeene èn bizondere openbaringsvormen door-ziet, verwonderd zijn over het ongeloof?
Wij staan hier voor het diepe verschil tusschen Christus en ons. Hij is zonder zonde; wij niet. Wij raken aan de dingen gewend, omdat we aan God óntwend zijn. Indien wij dicht bij God leefden, zouden we nooit den sleurgang loopen; want de dingen om ons heen openbaren ons de spraak van God. Een kind, dat altijd weer een wonder hóórt in het spreken van zijn Vader, zal óók telkens weer een wònder vinden in elke tegen-spraak, die zijn Vader ontmoet. Waarom raken wij aan vloeken gewend? Omdat wij psalmen kunnen zingen met een slaperig hoofd. Aan het goede raken wij gewoon; en daarom aan de berooving van het goede: de zonde. Jezus kàn dat niet; Gods goedertierenheid is hem elken morgen nieuw, zooals de bijbel zegt. c En daarom is hem óók nieuw elke inslag van het ongoedertieren volk d in de baan van Gods goedertierenheden. Wij, dagjesmenschen, zeggen tot ons zelf: waar de doorgronding begint, daar eindigt de doorwonding; kennis is leven; want het is heerschen. Omdat wij onze kennis door strijd veroveren moeten en in dien strijd o zoo zwak zijn, daarom ontsteken we vreugdevuurtjes bij elke overwinning; en dan zeggen we: we weten weer iets, dus vieren we onze vrijheid. Jezus zegt: ik weet weer iets, dus heb ik weer mijn gebondenheid. Wij verdringen het eene door het andere. Jezus verdringt niets; want elke indruk dien hij heeft, is hem een afdruk van Gods heiligen vinger, een zegel, dat de Vader op hem zet; wee hem, als hij achteloos er niet op let. Wij, zondaren, onttrekken alle dingen aan God; we halen de zonde niet van onderen op, want we halen de wet niet van boven af. Daarom ademen wij in de sfeer van het betrekkelijke; daarom staan zelfs geestelijke leiders rechtop, die den maatstaf van het absolute verwerpen en van het eigenlijk aan alle zedelijke daad vooraf te stellen alternatief (dat ons werk óf uit God óf uit den duivel is) zich met opzet ontdoen, door het aan de ergernis en den spot der on-verwonderden prijs te geven tot in zotte rijmen toe. Daarom kunnen wij zonder verwondering voorbijgaan aan den sterrenhemel en een draaiorgel, aan een spinneweb en een kerk. Daarom kunnen we zonder verwondering voorbijgaan aan een kerk èn n kerkscheuring, aan een kerkeraad èn een tegen-kerkeraad, aan blijven èn heengaan. Maar Jezus haalt alles van onderen op of van boven af. Hij ziet achter de sterren God en verwondert zich, dat elke liedjeszanger in de openlucht psalm 8 negeert: wat is de mensch? Omdat hij zijn van God gevulde tafel elken morgen nieuw vindt, daarom treft hem ook elke lacune. In een wereld, die scheef staat en krom trekt, gaat Zijn zuivere ziel altijd verwonderd, omdat ze altijd recht staat en alles recht trekt. De menschen verwonderen zich als er een lichtstreep is; zeg: een bliksemstraal door een donkeren nacht. Jezus verwondert zich veel meer over de lichtbundels, die de zon den heelen dag over de aarde werpt. Zóó verwonderen de menschen zich om de uitzondering, doch Jezus om den regel; dus óók om elke inbreuk op den regel.
O wie den hemel in wil, moet het aardsch gewemel in en zichzeer verwonderen. Hij moet als een vreemde door de wereld gaan, juist door ze recht in de oogen te zien. Een onverwonderd christendom is verwereldlijkt. Christus is ons exempel en onze verlosser; want hij doet, wat wij verzuimen: hij maakt van het gewone een wonder en van het wonder het gewone.
*
Christus in zijn verwondering ons exempel, zeiden we.
Och, het zou zeer zwaar zijn dit voorbeeld na te volgen, als Hijzelf geen moeite deed om het ons te leeren.
Maar Hij doet het uit zijn groote genade.
Want als ge Christus tot de Joden hoort spreken zijn raadselvolle woord: breekt dezen tempel af en in drie dagen zal Ik hem oprichten (Joh. 2 : 19), dan weet ge het: Christus, die zelf verwondert staat, wekt ook verwondering. Hij geeft een raadsel op. En raadselen kunnen vermoeien; maar als ze ons opheffen uit sleur, dan zijn ze krachtiger dan de beste prediking; want de toepassing ligt erin. Hebt gij de genade gezien in de raadselspreuken van Christus? Met een zoogenaamde masjaal, een raadselwoord, een gelijkenis in beknopten vorm, zet hij de tempel-autoriteiten aan het werk; want die zijn de geestelijke luiaards, al bedienen zij het Huis van dien God, die altijd werkt e en van dien Geest, die altijd onderzoekt, ook de diepten Gods. f Christus werpt hun dit raadselwoord toe: breekt dezen tempel af, en in drie dagen bouw ik hem weer op. Gij weet wel, dat dit ziet op zijn lichaam, dat men breken zou, maar dat na drie dagen uit het graf zou rijzen. Maar denk u eens de positie in, van hen, die dit woord voor het eerst zonder exegese aanhoorden. Waar moesten ze er mee heen? Ach, het dreef hen alle kanten uit; maar hóe ze het wendden of keerden, het bracht hen telkens maar weer aan het denken. Sprak Jezus van den steenen tempel? Zoo ja, dan willen ze schelden: tempelverwoester, revolutiedrijver! Maar het klopte niet; want hij wilde den tempel herstellen ook. En een volk, dat een tempel had, waaraan de heugenis van zóón gróóte wonderbaarlijkheid blijven zou, het zou boven alle tempelbergen den zijnen zien schitteren! Indien zij zeggen: maar wij breken den tempel niet, welnu, hij zal geen hand ernaar uitsteken; het was hem maar te doen om aan vragers een teeken te geven. Of indien hij een anderen tempel bedoelt, indien hij zichzelf den tempel noemt van God, Gods heilige woonstede, wil hij dan zeggen, dat geestelijke tempels onverwoestbaar zijn? Indien hij het zóó bedoelt, dan klaagt hij hun ongeloof aan; zij toch denken, dat, als de tempel van steen verdelgd wordt, Israels glorie weg is; maar hij zegt, dat God in het hart wonen wil, en dat Israel, als het maar God in het hart heeft, nooit ophouden kan, Gods heilig tempelvolk te zijn . . . . Of is soms hij alleen Gods zoon, dragende den Geest?
Het raadsel wekt verwondering.
Hoe men het ook aanvat, het ontdekt altijd een waarheid; elk antwoord opent nieuwe vergezichten, die dwingen tot de erkentenis, dat ze met dezen raadselspreker niet klaar zijn. Al keeren zij dat woord om en om, teneinde hun grimmig spel van haat er mee te spelen, er komt altijd een pleitrede voor den Nazarener uit. Hij speelt met woorden; en toch . . . . het is door en door waar en zwaar, wat hij spreekt. En zoo wordt dit raadsel genade. Het is een rem voor het haastige ongeloof. De raadselen van Christus zijn goedertieren; zij verdeelen u tegen uzelf en maken, dat gij erkennen moet, dat niemand Christus tegenspreken kan, zonder over zichzelf heen te spreken. Ze bewijzen, dat het ongeloof nooit knoopen ontwart, maar ze doorhakt; dat het God beleedigt, maar ook den mensch zelf, die niet gelooft.
K. Schilder.
a. Opnieuw gepubliceerd als Verwonderd staan, Goud, Wierook en Myrrhe, Delft (W.D. Meinema) 1926-1927, 40 (7 februari) en Verwonderd doen staan, Goud, Wierook en Myrrhe, Delft (W.D. Meinema) 1926-1927, 41 (8 februari).
b. Vgl. Johannes 2:25, Discipelschap en Discipelwerving, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 24 (15 oktober 1926).
c. Vgl. Klaagliederen 3:22v.
d. Vgl. Psalm 43:1.
e. Vgl. Johannes 5:17.
f. Vgl. 1Korintiërs 2:10.
|