7 maart HET GESCHEURDE KLEED.
En de hoogepriester, verscheurende zijn kleederen, zeide: wat hebben wij nog getuigen van noode?
Zie, daar zit de priester, Kajafas. Eigenlijk mag een hoogepriester geen rouw bedrijven. Maar Kajafas zegt: nu is het de tijd om de kleederen te scheuren ten teeken van openbaren rouw; want ach, hier wordt de priester machteloos gemaakt, hier weet ik niets meer uit te richten; hier baat het niet meer, of ik bid voor dit kind mijns volks, en zeg: mijn zoon, geef God de eer b; want deze is door het duivelsche heen; ach, ach. Die huichelaar . . . hij heeft geen oogenblik voor dit schaap der kudde gebeden en weigert toch ook te gelooven, dat Deze geen schaap, maar Herder en zelf Voorbidder bij God is. Zie, de hoogepriester scheurt zich het kleed; hij heeft voor zóóveel zonde geen woorden meer, alleen het wanhopig gebaar kan zijn overkropte ziel lucht geven . . . Maar overkropt is de ziel van den hoogepriester volstrekt niet; hij scheurt wel zijn kleeren, maar doet het heel secuur; zijn mooie ambtsgewaad verliest geen rafeltje; de scheur beperkt zich tot de onderkleeren van Zijne Eminentie. Ge kunt den man de droefheid aanzien; maar hij is toch niet van zinnen, zoudt ge ook weer zeggen . . . Ja, nog brutaler wordt de komedie. Hij toont zich uitermate zeer verslagen over de verzekering van Jezus, dat hij waariljk de Messias en de Zoon Gods is. Toch heeft juist die uitspraak hem als voorzitter van het Sanhedrin uit de impasse gered. Want de getuigen konden niet eenstemmig worden; met hen schoot hij niet op. Jezus zelf hielp hem door zijn strakke zwijgen ook niet uit de moeite; en haast zou de zitting verloopen zijn zonder dat men conclusie had kunnen nemen, indien niet Christus had beleden de Messias te zijn; toen kon men zeggen: we zijn er! Alles was maar spel. Zie nu den Man van smarten. Zijn zuivere ziel proeft het schijnspel in elk van zijn deelen. Hij weet, dat Kajafas liegt. Zoo is zijn smart vermenigvuldigd. De laatste priester staat bij het Altaar, dat waarachtig is, waarop alle eeuwen gehoopt hebben, en dat Aärons huis bekronen komt, doch hij treedt tot dat altaar met leugen en bedrog in de ziel, zonder voorbede en met den uitersten wil tot zelf-behoud. Kajafas bewijst, dat het priesterschap van het Oude Testament een dorre tak is, dien God afhouwen kan. Dat de Joden zich stooten aan Christus en van woede en overkropte ergernis krijschen, is zoo erg niet, als deze priesterlijke huichelarij. God heeft Zijn Zoon met volle bewustheid de zonde in haar meest weerzinwekkende vorm getoond; en toen zeide Jezus: ik kom, o God, om uwen wil te doen c. Hij weet, wat hij doet; want wie een schijnspel doorziet, doorleeft alsdan zijn nuchterst uur. LEZEN: Psalm 82. a. Opgenomen in VWS I,180-181. Eerder gepubliceerd als Het gescheurde kleed, De Reformatie 7 (1926v) 18,140 (28 januari 1927). b. Vgl. Johannes 9:24; Jozua 7:19. c. Vgl. Psalm 40:8v. |