![]() Titiaan Vecellio Jezus en Simon van Cyrene 3 maart DES HEEREN KNECHT EN DE PRIESTERSLAAF.
En hij raakte zijn oor aan en heelde hem.
Dit wonder is van groote evangelische beteekenis. De Catechismus vraagt, of het ook wat te zeggen heeft, dat Jezus onder den rechter heeft geleden; en het antwoord luidt bevestigend. Maar Malchus oor is ook onder den rechter genezen. Jezus eerste wonderteeken was voor de intimiteit van de familie: een bruiloftsteeken te Kana b. Maar het laatste wonder, dat hij deed in zijn vernedering, is officiëel geregistreerd; het werd opgenomen in het rapport dat de bendecommandant had uit te brengen aan zijn lastgevers. God heeft het oor van den priesterslaaf tot een teeken gezet. Het teekent ons den vollen, rijken Christus, in zijn drievoudig ambt. Allereerst is het profetisch, dit teeken. Het legt vast de groote waarheid, dat Christus handen op het oogenblik dat ze gebonden werden, nog bezig waren te heelen. De wereld heeft haar heel-meester gebonden. Jezus handen zijn niet meer gewasschen na dit oogenblik. Toen hij stierf, kleefde aan zijn hand meer dan zijn eigen bloed; ook het bloed van een priesterslaaf had die handen rood gekleurd. Jeruzalem zal Jezus niet meer zien. Maar hij laat het hoofd van Malchus achter. Kajafas zal van dat hoofd veel last hebben. Als het straks heet, dat Jezus discipelen hem gestolen hebben c, dan zal Malchus oor Kajafas vragen: gelooft Uwe Eminentie het zelf? Dat hoofd profeteert; het zegt: deze heeft niets kwaads gedaan. En dan wie ziet hier zijn Koning niet? Hij wijst het mes van zijn vurigen discipel terug en geneest den vijand, die een stok tegen hem zwaaide; nu is het Kaïnsteeken vervuld. O Jeruzalem, zie uw Koning! Ge zult Barabbas loslaten d; en die man loopt plompweg over grooten en kleinen heen. Maar Jezus cureert voorzichtig een slaaf, al is de wonde net zoo klein als de man zelf. Zoon gekrookt riet, dat de menschen breken e, Hij zorgt er voor. Hij onderscheidt scherp tusschen lastgever en knecht; straks zal Jezus den heer van dezen slaaf zonder antwoord laten staan; maar den slaaf geneest hij voorzichtig. En is hij geen Priester? Zie, hoe zijn handen in het uur der offerande onbevlekt zijn. Willekeur was er bij de vijanden, die aanvielen, èn de vrienden, die verdedigen wilden. Maar Christus houdt zich ver van die eigenwilligheid. Hij heeft een bestraffend woord tegen Petrus en een liefdedaad voor den vijand. Zoo heeft Christus Zijn ambtelijke bediening gesteld tegenover menschelijke ambtsverkrachting. Kajafas en Petrus, vijand en vriend, gebruiken vleeschelijk geweld. Jezus genezende hand stelt het recht. Bij het verlaten van Gethsémané roept de mensch om het recht van den sterkste en Christus om de sterkte van het recht; deze worsteling gaat nu tot het bittere einde door. LEZEN: Lucas 22 : 49-53. a. Opgenomen in VWS I,174-175. Eerder gepubliceerd als De knecht des Heeren en de slaaf van den Priester, De Reformatie 7 (1926v) 16,124-126 (14 januari 1927). b. Vgl. Johannes 2:1-11. c. Vgl. Matteüs 28:13. d. Vgl. Matteüs 27:20-26 par. e. Vgl. Jesaja 42:3; Matteüs 12:20. |