4 februari MENSCHENVISSCHERS.
Van nu aan zult gij menschen vangen.
En voor de menschen, die men vangen moet, is hij ook niet aangenaam. Wie wil er nu door een mensch als een visch gevangen worden? Zoon visscher werkt stil en bedriegelijk; hij speculeert op de argeloosheid van de visch. Moet een mensch van gelijke beweging als gij uw visscher wezen en gij zijn visch? Als uw buurman zei: ik wil u visschen, verdroegt gij het? Daar ploft nu die zonderlinge naam neer onder de menschen. De visscher zegt: Heere, ik kan dat niet. De visch, d.w.z. de andere menschen, zeggen: Heere, wij willen dat niet. De discipel klaagt: Heere, dat beroep laat te veel aan het toeval over; visscherij is een onzeker bedrijf. De anderen twisten: Heere, dat laat te weinig aan het toeval over; het is onverdragelijk, dat een ander mij zijn netten spant, en met list mij daarheen lokken wil. Maar lees nu eens het woord in zijn verband. Er was iets voorafgegaan. Ze hadden eerst niets gevangen; maar toen had Jezus hun een groote vangst bezorgd, door een wonder. Nu kunnen ze allen tevreden zijn. De discipelen weten: dat van nu aan de visscherij geen onzeker bedrijf is en geen machteloos werk; want Jezus ziet en drijft de visschen. Zij kunnen, omdat Hij kan; toeval is uitgesloten. God grijpt rechtstreeks in. En de menschen, die men vangen zal? Laat ze ook maar stil zijn. Als Jezus hen trekt naar het net, dan is dat geen vernedering meer; niet hun buurman, maar hun Heiland voert ze in het net. En bedrogen worden ze niet; want als Jezus de visschen trekt, dan willen ze ook. Want aardsche visschers maken beweging in het water, (rond om de visschen), God maakt beweging in de visschen; Hij legt de drijving naar Hem in ons hart. De visscher is zoo afhankelijk als de visch, en de visch zoo vrij als de visscher; God is hun beider vrede. LEZEN: ezechiel 47 : 1-10. a. Opgenomen in VWS I,136-137. Eerder gepubliceerd als Menschenvissers, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 28 (12 november 1926). b. Vgl. Søren Aabye Kierkegaard (1813-1855), ?. |