20 januari DE ONBEKLEEDBARE.
zij namen nu zijn kleederen, voor elken krijgsknecht een deel, en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven
Het heeft diepen zin, dat Johannes buitengewone, en Jezus gangbare kleeding draagt. Het gewone van Jezus is wonderlijker dan het buitengewone van Johannes. Want Johannes geeft in zijn kleed uitdrukking aan zijn diepste levensbezit; zijn kleed is een vorm, waarin zijn geest zich uitdrukt. Doch Jezus Christus kan van de aarde geen vormen leenen, die zijn eeuwig en eenig wezen passende uitdrukking geven. Waar is het kleed, dat hem verklaren kan? Het kan geen profetenmantel zijn, en geen priestergewaad en geen koningskleed. Al die kleeren zouden liegen; hij heeft immers niet één ambt, doch hij heeft er drie en elk van die drie volkomen. Hij heeft een gewonen naam, en hij spreekt een gewone taal. Hij is daarin Man van smarten, die zich vernedert, en die zijn buitengewone en onzegbare heerlijkheid bedekt achter gewone, menschelijke vormen, ook achter het kleed van den dag. Christus neemt het kleed van zijn tijd; zelfs daaraan oefent hij zijn gehoorzaamheid en doet zijn middelaarswerk. Laat de Dooper naar Elia teruggrijpen; maar Christus heeft méér in zich dan Elia; alle profeten worden in hem vervuld; alle typen in hem vertoond. Hij heeft zijn kleedij in heel het Oude Verbond. En wijl Hij overal zijn kleed heeft, daarom heeft hij het nergens; dus neemt Hij het kleed van den dag. Want Christus grijpt niet, als de Dooper, naar het verleden terug om daarmee een toekomst te maken. Hij is voor verleden, heden èn toekomst, gister en heden en in der eeuwigheid dezelfde c. Als het Eeuwige Woord heeft hij reeds vóór de Vleeschwording gesproken onder Israël; hij is van ouds gezalfd en ook bekleed geweest. En niemand steke Christus in zijn mantel, doch hij neme dien van Hem; het is de mantel der gerechtigheid; gansch bizonder, omdat zijn kleeding niets bizonders had. LEZEN: Jesaja 53 : 1-3, psalm 45 : 9-15. a. Opgenomen in VWS I,115-116. Eerder gepubliceerd als Kleerentheologie, De Reformatie 6 (1925v) 52,367 (24 september 1926). b. Vgl. Matteüs 26:68. c. Vgl. Hebreeën 13:8. |